Je kunt mondpijn in de palliatieve fase heel praktisch herkennen aan de hand van de richtlijn van het Kennisinstituut V&VN:
Veranderd eetgedrag: de cliënt weigert (bepaalde) voeding , kauwt opvallend lang , of reageert pijnlijk op temperatuur, zuren en kruiden.
Klachten in rust of actie: er is sprake van pijn of een branderig gevoel in de mond of keel in rust, of specifiek tijdens het praten, eten en drinken.
Zichtbare afwijkingen: je ziet direct zweertjes (aften) , rood of gezwollen slijmvlies , of spontaan bloedend tandvlees.
Directe hulpmiddelen: de cliënt heeft behoefte aan zachte of vloeibare voeding of gebruikt een (kortgeknipt) rietje om contact met pijnlijke plekken te vermijden.
Comfortmaatregelen: bied uitsluitend zachte, smeuïge of vloeibare voeding aan. Vermijd producten die pijn uitlokken (te koud, heet, zuur, zout of hard). Gebruik een kortgeknipt, dik rietje; dit vermindert het contact tussen de vloeistof en de pijnlijke plekken en maakt het zuigen makkelijker.
Medicatie: lokale pijnstilling kan via lidocaïne, coating agents, morfinedrank of esketaminemondwater. Let op: bij het gebruik van lidocaïnegel/spray is er een verhoogd risico op verslikken door verdoving van de keelholte, en op het pijnlijk bijten op de tong of wangen.